X, een natuurlijk persoon, is aandeelhouder van twee Zwitserse vennootschappen, waarbij een van de twee Zwitserse vennootschappen aandelen houdt in een Nederlandse BV. De Nederlandse BV betaalt rente aan de andere Zwitserse (zuster)vennootschap. De discussie was of die rente in Nederland aftrekbaar was.

Thincapregeling

De aftrekbeperking die hier aan de orde was is de inmiddels afgeschafte ‘thin capitalisation-regeling’ van art. 10d Wet Vpb 1969. Op grond van deze thincapregeling werd bij een bovenmatige financiering met vreemd vermogen een deel van de rente-aftrek geweigerd. Het niet aftrekbare bedrag was gemaximeerd op het saldo van enerzijds het rentebedrag dat was verschuldigd aan met de belastingplichtige verbonden lichamen en anderzijds de ontvangen rente op leningen verstrek aan met de belastingplichtige verbonden lichamen. Voor deze procedure was met name van belang het feit dat de aftrekbeperkingen van de thincapregeling niet gold als de belastingplichtige niet met andere lichamen in een groep is verbonden in de zin van art. 2:24b BW.
Belanghebbende, de Nederlandse BV, meent dat de renteaftrekbeperking niet van toepassing is omdat de schuldeiser – de andere Zwitserse (zuster)vennootschap – geen deel uitmaakt van de groep waartoe belanghebbende behoort in de zin van art. 2:24b BW.
Vaststaat dat X de uiteindelijk economisch gerechtigde is tot de aandelen in zowel de Nederlandse BV als de Zwitserse zustervennootschap. Hieruit vloeit voort dat de Zwitserse zustervennootschap ingevolge art. 10a, lid 4, aanhef en onder c, Wet Vpb 1969 is aan te merken als een lichaam waarin een derde (de natuurlijk persoon) voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige. De Zwitserse zustervennootschap dient daarom als een met de Nederlandse BV verbonden lichaam te worden aangemerkt. Volgens het Hof is niet van belang dat de zustermaatschappij die schuldeiser is niet tot de jaarrekeningrechtelijke groep behoort.

Arrest Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:414, V-N 2018/16.12 dat voor de toepassing van de thincap-regeling inderdaad niet van belang is of de schuldeiser al dan niet tot dezelfde jaarrekeningrechtelijke groep behoort als de schuldenaar. Voldoende is dat 1. De schuldenaar tot een groep behoort (en de Nederlandse BV behoort daartoe) en 2. Dat schuldenaar en schuldeiser met elkaar verbonden zijn in de zin van art. 10a, lid 4, onder c, Wet Vpb 1969. Ook dat is het geval.
De renteaftrekbeperking van art. 10d Wet Vpb 1969 is daarom op de Nederlandse BV van toepassing.

Belang voor de praktijk

De thin capitalisation-regeling van art. 10d, Wet Vpb 1969 is per 2013 vervallen. In de Wet Vpb 1969 bestaan thans andere renteaftrekbeperkingsregelingen, maar deze beperken zich niet tot groepsmaatschappijen. Denk bijvoorbeeld aan art. 10a, Wet Vpb 1969, art. 13l Wet Vpb 1969 en art. 15ad Wet Vpb 1969. Voor het huidige recht is het belang van onderhavig arrest derhalve gering.