De premie voor een lijfrenteverzekering is onder voorwaarden aftrekbaar van het box 1 inkomen. De toekomstige uitkeringen worden in dat geval op het uitkeringsmoment belast. Toepassing van deze zogenoemde omkeerregeling (premies aftrekbaar, uitkeringen belast) is alleen mogelijk als aan allerlei voorwaarden wordt voldaan. Als op het betalingsmoment van de premies wel aan die voorwaarden wordt voldaan, maar gedurende de looptijd niet meer, kan op dat moment onder omstandigheden de volledige waarde worden belast. Dat is de zogenoemde fictieve afkoop. Dan wordt dus niet gewacht met belasting heffen tot de uitkeringen komen. In deze zaak gaat het over de gevolgen van een fictieve afkoop die ontstond omdat de lijfrenteverzekering niet langer bij een wettelijk voorgeschreven verzekeraar was ondergebracht.

Belastingplichtige Z heeft een persoonlijke houdstermaatschappij (PH). Die PH houdt 50% van de aandelen in een Beheer BV en die Beheer BV bezit alle aandelen in een Werk BV. In 1998 heeft Z zijn persoonlijke onderneming verkocht aan de Werk BV waarbij Z als tegenprestatie een direct ingaande lijfrente ontving. Het voordeel daarvan was dat de stakingswinst bij verkoop van de onderneming weliswaar wordt belast, maar tegelijkertijd de premie voor de verkregen lijfrente aftrekbaar was. Per saldo wordt door zo’n zogenoemde stakingslijfrente de stakingswinst bij verkoop van de onderneming niet belast. In 2010 verkocht de Beheer BV de aandelen in de Werk BV aan derden. Het was echter niet wenselijk dat de verkochte Werk BV nog langer de lijfrenteverzekeringen jegens Z zou uitvoeren. Om die reden werd door de Werk BV de lijfrenteverplichting overgedragen aan de PH van Z. En daar ging het fout. Volgens de Wet Inkomstenbelasting mag namelijk alleen een professionele verzekeraar over de overnemer van de onderneming een stakingslijfrente verzekeren. De Werk BV voldeed aan die voorwaarde, maar de PH niet. Die had namelijk niet in eerste aanleg in 1998 de onderneming van Z overgenomen. Door de overdracht van de lijfrenteverplichting aan de PH was niet langer sprake van een fiscaal erkende verzekeraar en daardoor leidde die overdracht tot een fictieve afkoop. De inspecteur belaste daarom de lijfrente-aanspraak met een waarde van € 106.840 op het moment van overdracht aan de PH. Ook werd revisierente berekend. Echter, weliswaar was er een fictieve afkoop, de PH ging door met de jaarlijkse uitkeringen aan Z en hield daarop zoals men gewend was de loonbelasting in. Z werd daardoor dus zowel belast voor de gehele waarde van de lijfrente, maar ook voor de periodieke uitkering. De vraag was of die dubbele heffing terecht was.

Het gerechtshof was van mening dat de fictieve afkoop terecht was belast. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat de jaarlijkse uitkering niet volledig mocht worden belast. Na de fictieve afkoop moet die worden belast volgens de zogenoemde saldomethode. Dat betekent dat pas nadat de jaarlijkse uitkering meer bedraagt dan de eerdere afkoopwaarde, de jaarlijkse uitkering wordt belast en dan ook alleen voor zover die meer gaat bedragen dan de eerder belaste afkoopwaarde. De lijfrente-uitkering van 2010 mag dus niet volledig belast worden. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar Hof Amsterdam om te bepalen welk deel van de door X in 2010 ontvangen lijfrentetermijn is belast. Alleen het bedrag van de rentetermijn mag in de heffing van 2010 worden betrokken.

Conclusie

Bij overdracht van een lijfrenteverplichting aan een niet-toegestane verzekeraar is sprake van een fictieve afkoop. In de praktijk doemt dit probleem regelmatig op als een ondernemer ooit een stakingslijfrente heeft bedongen bij zijn eigen bv en die lijfrente naar een andere bv wil overdragen. Het is in dat soort gevallen belangrijk hierop attent te zijn en bij voorkeur middels vooroverleg met de belastingdienst dit risico te voorkomen.