Hof Den Bosch 30 maart 2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:1398

Uitgangspunt van de Nederlandse belastingheffing is dat inkomen belast wordt, daar waar de waarde gecreëerd is. Indien een aanmerkelijkbelanghouder in Nederland gaat wonen, wordt een step up verleend. Dat betekent dat voor de Nederlandse belastingheffing wordt gekeken naar de waardeveranderingen van de aandelen sinds de immigratie. Op het immigratiemoment wordt daarom de waarde van de aanmerkelijkbelangaandelen bepaald. Op deze manier wordt de waardestijging van de aandelen die toe te wijzen is aan de tijd dat de ab-houder in het buitenland woonde, niet in Nederland belast. Hier tegenover staat vaak een conserverende aanslag in het land waaruit de aanmerkelijkbelanghouder emigreert. In geval van remigratie, een verhuizing uit Nederland die later gevolgd wordt door een terugverhuizing, bestaan speciale regels. Ook bij remigratie wordt de verkrijgingsprijs vastgesteld op basis van de historische kostprijs plus de waardeaangroei in het buitenland. Onder deze regels wordt rekening gehouden met een eventueel opgelegde conserverende aanslag bij het vertrek uit Nederland. De verkrijgingsprijs wordt dan vastgesteld op de historische verkrijgingsprijs van de aandelen plus de waardeaangroei in het buitenland plus vier keer de conserverende aanslag, voor zover deze na een eerdere emigratie vanuit Nederland al is betaald. Het gedeelte van de conserverende aanslag waarvoor het uitstel van betaling nog loopt, wordt dus niet meegerekend in de verkrijgingsprijs en wordt in de toekomst nog belast. Op zich een technisch lastige regeling.

In de uitspraak van 30 maart 2018 oordeelde Hof Den Bosch over een step up bij remigratie van belanghebbende die vanuit België terugverhuisde naar Nederland. Belanghebbende heeft in 2003 de aandelen A bv verkregen voor een verkrijgingsprijs van € 18.600 en is in 2009 geëmigreerd van Nederland naar België. Hierbij is afgerekend over een vervreemdingsvoordeel van € 130.908. Er was dus toentertijd geen conserverende aanslag. In 2015 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om de verkrijgingsprijs vast te stellen op € 547.178, de waarde in het economisch verkeer minus het vervreemdingsvoordeel waarover afgerekend is bij emigratie. Hij was namelijk van plan om terug te verhuizen naar Nederland en deed hierbij een verzoek tot step up van de verkrijgingsprijs. De inspecteur gaf hier geen gehoor aan en stelde de verkrijgingsprijs vast op de historische verkrijgingsprijs van € 18.600. In 2015 was nog niet bekend wanneer belanghebbende terug zou verhuizen naar Nederland en kon dus nog geen waarde in het economisch verkeer worden vastgesteld. Belanghebbende is in bezwaar en beroep gegaan, maar heeft zijn gelijk niet gekregen. In 2017 is belanghebbende terugverhuisd naar Nederland.

Hof Den Bosch oordeelde dat de inspecteur de verkrijgingsprijs terecht heeft vastgesteld zonder rekening te houden met de remigratie van belanghebbende. Ook gedurende de bezwaarperiode was nog niet bekend wanneer belanghebbende naar Nederland zou verhuizen. De waarde in het economisch verkeer is geen vaststaand gegeven en moet dus worden bepaald op het moment van verhuizing. Belanghebbende had het verzoek tot vaststelling van de verkrijgingsprijs dus moeten doen ten tijde van de verhuizing naar Nederland of erna. De verhuizing moet plaatsgevonden hebben voordat de inspecteur op het verzoek beslist. Belanghebbende kan alsnog een verzoek indienen tot vaststelling van de verkrijgingsprijs. Het hof noemt expliciet in de uitspraak dat aan de hand van de uitspraak niet bepaald kan worden of de step up daadwerkelijk verleend moet worden. Dit moet de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking beslissen.

Omdat een verzoek op vaststelling van de verkrijgingsprijs bij emigratie kan pas gedaan worden op het moment van of na de emigratie, kan de belastingplichtige beperkt fiscaal plannen. Zijn of haar immigratiebesluit kan niet worden bepaald op basis van de waarde die de inspecteur vooraf bepaald.