Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2018:10722

De vergrijpboete

Als iemand een onvolledige aangifte indient, bijvoorbeeld door bepaald inkomen in box 1 of bepaald vermogen in box 3 niet in de aangifte op te nemen, zal bij ontdekking een navorderingsaanslag met boete worden opgelegd. Bij opzet of grove schuld zal de inspecteur een zogenoemde vergrijpboete opleggen. Als echter sprake is van opzet of grove schuld van een derde, zoals  bijvoorbeeld een adviseur, kan die opzet of grove schuld niet aan de belastingplichtige zelf worden toegerekend. Een vergrijpboete komt dan niet aan de orde.

Boete als een buitenlandse bankrekening niet wordt aangegeven

Een recente uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betrof iemand die samen met haar echtgenoot tot 11 januari 2012 in Duitsland woonde en daar een agrarisch bedrijf had. In 2011 werd die onderneming verkocht en de verkoopopbrengst werd op een Duitse bankrekening gestort. In 2012 kwam het gezin in Nederland wonen en zijn de Duitse banksaldi overgemaakt naar een Nederlandse bankrekening. De discussie ging om de vraag of de Duitse bankrekeningen in box 3 aangegeven hadden moeten worden. De aangifte over 2012 werd gedaan door een adviseur. Die koos voor de mogelijkheid om gebruik te maken van de mogelijkheid voor het gehele jaar binnenlands belastingplichtige te zijn maar gaf desondanks de buitenlandse bankrekening niet aan. Toen de inspecteur dat ontdekte legde die een navorderingsaanslag inkomstenbelasting met vergrijpboete van 25% op. Voor de beoordeling van de vergrijpboete is van belang of belastingplichtige zelf grove schuld heeft aan de te laag vastgestelde aanslagen over het jaar 2012.

De beslissing van de rechter

Opzet of grove schuld van de adviseur kan volgens het gerechtshof niet aan de belastingplichtige worden toegerekend. In dit geval had de belastingplichtige alle relevante informatie juist verstrekt aan de adviseur, maar die had die informatie niet juist verwerkt. Het Hof vindt dat belastingplichtige en haar echtgenoot zelf de fiscale gevolgen van de remigratie niet goed hebben kunnen overzien omdat zij geen fiscale kennis hebben. Daarbij speelt ook dat de aangifte door de remigratie geen alledaagse aangifte is. Dit is ook de reden dat de adviseur is ingeschakeld, waarop ze vertrouwden. Het Hof vindt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belastingplichtige opzet of grove schuld heeft. Belastingplichtige gaat dus vrij uit en hoeft de vergrijpboete niet te betalen.

Conclusie

Bij het opleggen van een vergrijpboete is het aan de inspecteur om de opzet of grove schuld van de belastingplichtige te bewijzen. Als een adviseur de aangifte van de belastingplichtige onjuist heeft verzorgd, kan er ook bij de belastingplichtige een verwijt zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de (fiscale) kennis van de belastingplichtige, of aantoonbaar is gezocht naar een adviseur die over de beoogde deskundigheid beschikt, maar ook of de belastingplichtige alle informatie heeft verstrekt. Als de belastingplichtige mocht vertrouwen op de adviseur, is hem niks te verwijten.