Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-3-2019 ECLI:NL:RBZWB:2019:1141

In de praktijk zien we regelmatig dat werkgevers aan personeel aandelen geven. Vaak gebeurt dat om de werknemers te binden. Soms zijn het geen aandelen, maar wordt een optierecht op in de toekomst te verkrijgen aandelen aan werknemers gegeven. Bij een optierecht krijgt een werknemer het recht om op een toekomstig moment (het zogenoemde uitoefentijdstip) een bepaald aantal aandelen te kopen. Vaak is dan de prijs waartegen die kunnen worden gekocht al bepaald (de uitoefenprijs). Die uitoefenprijs wijkt daardoor af van de werkelijke waarde van de aandelen op het uitoefentijdstip. Veelal mag men dat optierecht dan alleen uitoefenen als men op het uitoefentijdstip nog in dienst is. In het verleden werd de waarde van het optierecht belast als loon op het moment waarop de opties onvoorwaardelijk werden toegekend. Dat de werkelijke waarde van de aandelen op het toekomstige uitoefentijdstip veelal hoger was dan de uitoefenprijs leverde voor de werknemer dan een onbelast voordeel op. Dit werd onwenselijk gevonden en om die reden bepaalt de wet nu dat het voordeel uit een optierecht wordt belast op het uitoefentijdstip: het werkelijke voordeel op dat moment wordt als loon belast. Het te belasten voordeel bestaat dan uit het verschil tussen de werkelijke waarde van de aandelen op het uitoefentijdstip en de (veelal lagere) uitoefenprijs.

Voordeel van in 2005 uitgeoefende opties terecht in 2012 aangemerkt als loon

Een recente uitspraak van de rechtbank betreft een CFO aan wie bij zijn indiensttreding eind 2004 optierechten op 6000 aandelen in de vennootschap werden toegekend. Nadat de CFO de optierechten heeft aanvaard, is € 20.523 aan loonheffing door de vennootschap ingehouden. Begin 2005 is naar aanleiding van een arbeidsconflict de arbeidsovereenkomst van de CFO beëindigd. De CFO heeft vervolgens de uitoefening van zijn optierechten gevorderd. De vennootschap wilde hieraan niet meewerken, waarna verschillende procedures zijn gevoerd. In 2012 is uiteindelijk uit de rechterlijke procedure gebleken dat de vennootschap toch € 4,7 mln. aan de CFO moet betalen ter zake van de verzilverde opties. De vennootschap heeft dit bedrag in 2012 aan de CFO betaald waarbij € 2,4 mln. aan loonbelasting is ingehouden. De CFO vond dat het werkelijke voordeel van € 4,7 miljoen niet belast hoefde te worden. Daarom nam hij in zijn IB-aangifte 2012 wel de door de werkgever ingehouden loonbelasting als verrekenbare voorheffing in aanmerking, maar het werkelijke voordeel van € 4,7 miljoen niet. Op die manier zou hij de ingehouden loonbelasting uiteindelijk volledig kunnen terugkrijgen. De inspecteur was het hiermee niet eens en corrigeerde de aangifte door het optievoordeel ook volledig in het inkomen op te nemen. Dan zou geen teruggave volgen van de ingehouden loonbelasting.

Beslissing van de rechter

De rechter oordeelde dat het optievoordeel terecht in 2012 tot het inkomen werd gerekend door de inspecteur. Weliswaar lag het uitoefentijdstip eerder, maar dat is niet van belang. Het werkelijke voordeel werd in 2012 daadwerkelijk inbaar en ontvangen.

Conclusie

Optierechten worden belast op het moment van het daadwerkelijk uitoefenen van de opties; dat wil zeggen op het moment waarop de aandelen worden verkregen of het optierecht wordt afgekocht door de werkgever. Dat het eerdere moment waarop de opties worden uitgeoefend door bijvoorbeeld een procedure eerder kan liggen, doet daar niet aan af. Het fiscale genietingsmoment en daarmee heffingsmoment ligt als het daadwerkelijke voordeel wordt gerealiseerd en dat was in dit geval in 2012.