Hoge Raad 24-5-2019 ECLI:NL:HR:2019:785

Een onverwacht voordeel voor een belastingplichtige. Dat is de uitkomst van deze procedure. Wij verwachten dat de wetgever deze uitkomst niet waardeert en een wetswijziging zal voorstellen. Die zou dan opgenomen kunnen zijn in het belastingplan 2020. Voorlopig is een concreet wetsvoorstel hierover dus nog niet aan de orde. Het voordeel betreft een extra bedrag aan kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). De KIA is voor ondernemers een interessante faciliteit. Bij investeringen in bepaalde bedrijfsmiddelen kan een bepaald bedrag van de winst worden afgetrokken. De hoogte van die aftrekpost (de KIA) is afhankelijk van het totale investeringsbedrag. De KIA is een percentage van het investeringsbedrag, maar als dat bedrag een bepaalde drempel te boven gaat, wordt het een vast bedrag van de investering. Er geldt bovendien alleen KIA als het investeringsbedrag boven een bepaald minimum blijft en beneden een bepaald maximum. Het arrest waar de hierna besproken casus over gaat betreft een bijzondere regeling voor samenwerkingsverband. Als een ondernemer deelneemt in een samenwerkingsverband wordt het investeringsbedrag waarover de KIA wordt berekend bepaald door de totale investering, dus ook die door het samenwerkingsverband.

Bij samenwerkingsverband KIA berekend volgens tabel en niet naar evenredigheid

In het arrest ging het om een belastingplichtige die met vijf andere maten in een maatschap participeert. Het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige bestaat uit zijn aandeel in de maatschap en buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. De maatschap heeft in 2013 € 40.517 in bedrijfsmiddelen geïnvesteerd. De belastingplichtige heeft daarnaast zelf in 2013 € 56.515 geïnvesteerd. Bij dat totale investeringsbedrag behoort een KIA van € 15.470. Volgens de inspecteur had hij echter geen recht op dat bedrag maar slechts op een evenredig deel daarvan. Dat evenredige deel zou dan bestaan uit zijn eigen aandeel in het totale investeringsbedrag.

De rechter vindt dat de belastingplichtige recht heeft op het vaste bedrag van € 15.470 aan KIA. De samentelbepaling is alleen van belang voor de hoogte van de KIA. Het maakt daarbij niet uit dat het individuele aandeel in dat totaal lager is. Hierdoor kunnen de gezamenlijke maten een veel hoger bedrag aan KIA claimen dan de bedoeling van de wetgever is.

Conclusie

De KIA wordt via een tabel berekend. Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen samengeteld voor de berekening van de KIA. Als een lid van een samenwerkingsverband ook een investering heeft ingedaan in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen, heeft hij recht op de KIA berekend over het totaal van eigen en gezamenlijke investeringen. De hoogte van de KIA-aftrek is echter dat bedrag en niet een lager bedrag dan het eigen aandeel in dat totale investeringsbedrag.